Politieke geschiedenis van Nederland

Maar daar is hier in ons land een sterk gegroeide en steeds sterker groeiende beweging van een deel van het volk, dat tegen alle economische verdrukking in, tegen den druk van armoede en van ontbering, tegen het onmondig houden op politiek gebied, lange en lange jaren, tegen de overmacht van patroons en werkgevers, heeft moeten voeren een harden strijd.

Aldus sprak de heer Troelstra in de Tweede Kamer op 12 november 1918

1813 - Van Republiek naar Koninkrijk

De geschiedenis van de huidige Nederlandse staatsinrichting begint in 1794. In dat jaar verdrijft het revolutionaire Frankrijk de regerende stadhouder Willem V. Hiermee komt een einde aan de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën. In 1795 wordt Nederland onder de naam “Bataafse Republiek” hervormd naar Frans model. Het doorvoeren van hervormingen blijkt niet gemakkelijk. In 1796 wordt een Nationale Vergadering opgericht, maar deze wordt twee jaar later alweer afgezet als gevolg van een staatsgreep. Nederlandse revolutionairen proberen hierop de Bataafse Republiek radicaal te democratiseren. Dit doen zij door een tweekamerstelsel in te voeren: één kamer zal bevoegd zijn de wetten op te stellen, de andere kamer zal de macht krijgen om de wetten te bekrachtigen. In 1801 wordt deze democratisering met behulp van de Fransen weer ongedaan gemaakt. Onder Frans bewind volgen meerdere varianten van ondemocratisch bestuur elkaar op totdat vanaf 1813 de macht van de Franse Keizer Napoleon Bonaparte begint af te brokkelen.

Koning Willem I

Willem I

Met steun van de grootmachten Groot-Brittannië en Pruisen keert Willem VI, zoon van Willem V, in 1813 terug naar Nederland. Hier wordt hij tot koning Willem I uitgeroepen. In datzelfde jaar wordt een grondwet opgesteld waarin de macht zowel aan de koning als de Staten-Generaal wordt toebedeeld. In de praktijk echter heeft koning Willem I, om eventuele ‘revolutionaire krachten’ in bedwang te kunnen houden, zo goed als absolute macht. Een jaar later wordt België aan het Koninkrijk der Nederlanden toegevoegd. Op verzoek van de Belgen worden de Staten-Generaal opgesplitst in een tweekamerstelsel. Dit stelsel blijft ook na de afscheiding van België in 1830 behouden. De Eerste Kamer bestaat voornamelijk uit aristocraten die door de koning voor het leven worden benoemd. Zij moeten tegenwicht bieden aan de zogenaamde ‘driften’ van de Tweede Kamer. Niet alle leden van de Eerste Kamer lijken in die tijd hun taak serieus te nemen, aangezien een aantal nooit komt opdagen. Dat leidt ertoe dat er stemmen opgaan om de Eerste Kamer af te schaffen. Om verschillende redenen zal dit thema later regelmatig terugkeren op de agenda van de Nederlandse politiek.

1848 - De grondwet van Thorbecke

De Tweede Kamer wordt gekozen door de Staten van de Noordelijke en Zuidelijke provincies. Zij behandelt wetsontwerpen van de regering en vertegenwoordigt de bevolking. De macht van de Tweede Kamer is in deze periode beperkt. Zij heeft vooral een adviserende rol en kan geen beslissingen afdwingen. De grondwet van 1848, opgesteld door de liberaal Thorbecke, vergroot de invloed van de volksvertegenwoordiging op de regering. Kamerleden worden vanaf dat moment rechtstreeks verkiesbaar dankzij het censuskiesrecht. Hierbij wordt stemrecht verleend aan het deel van de bevolking dat een bepaald bedrag aan belastingen betaalt. De macht van de koning wordt hiermee ingeperkt. Voor het eerst is echt sprake van een constitutionele monarchie. Naast grotere invloed krijgt de Tweede Kamer ook nieuwe rechten. Zo krijgt de Kamer de bevoegdheid het vertrouwen in ministers op te zeggen en krijgt zij het recht van amendement, d.w.z. het recht wijzigingen in wetsvoorstellen aan te brengen. Met behulp van deze bevoegdheden laat de Tweede Kamer in 1860 voor het eerst een kabinet vallen. In 1876 valt een tweede kabinet.

Thorbecke

Politieke veranderingen

De belangrijkste politieke veranderingen na 1848 vinden plaats in de jaren rond de Eerste Wereldoorlog. De eerste Wereldoorlog eist op wereldniveau vele slachtoffers. Ondanks het feit dat Nederland haar neutraliteit behoudt, blijven de gevolgen van deze oorlog ook in ons land niet onopgemerkt. Nederland wordt net als de landen die wel actief bij deze oorlog betrokken zijn, getroffen door honger en armoede. In november 1918 is de oorlog formeel ten einde, maar de ontberingen zijn hiermee nog niet voorbij. De afgelopen vier jaren hebben duidelijk hun sporen achtergelaten. Vele steden en dorpen liggen in puin. Mensen hebben niet of nauwelijks te eten door een tekort aan levensmiddelen of verlies van baan. De uitbraak van een wereldwijde grieppandemie verergert de situatie op niet mis te verstane wijze. Naast voedselschaarste en werkloosheid, is ziekte een van de belangrijkste oorzaken van een steeds hoger oplopend aantal slachtoffers. De bevolkingsgroep die hierbij het meest getroffen wordt zijn de arbeiders. Hun levensomstandigheden worden met de dag slechter en de roep om meer rechten voor deze groep klinkt dan ook steeds luider.

Pieter Jelles Troelstra

De Russische revolutie van 1917 zorgt in veel landen voor politieke onrust. Vele arbeiders komen onder aanvoering van hun leiders in opstand en streven naar gelijkheid. In Nederland is met de grondwetsherziening van 1917 reeds een begin gemaakt met de gelijkstelling van arbeiders, door invoering van het algemeen kiesrecht voor mannen. Naast het invoeren van sociale wetgeving ging ook het kiesstelsel op de schop. In 1917 wordt het algemeen kiesrecht voor mannen ingevoerd en bovendien mochten dames zich ook verkiesbaar stellen. Maar voor de Nederlandse socialistische voorman Pieter Jelles Troelstra is dit bij lange na niet voldoende. Hij streeft naar fatsoenlijke leefomstandigheden en meer burgerrechten voor alle arbeiders. Troelstra organiseert bijeenkomsten, waarop hij grote groepen arbeiders toespreekt en overtuigt van de kans op een beter bestaan. En in navolging van de gebeurtenissen in Duitsland wil Troelstra ook zo snel mogelijk de revolutie ontketenen in Nederland. In de tweede week van november 1918 doet hij tevergeefs een poging in Rotterdam, waar inmiddels grote groepen arbeiders zich verzameld hebben. De regering laat het er niet bij zitten en komt in verweer. In de drie grote steden zet zij extra versterking in tegen de strijdbare arbeiders. Bovendien verzetten ook de oranjegezinden, de aanhangers van de monarchie, zich tegen de ‘revolutionairen’. Zij komen massaal bijeen als steunbetuiging aan de zittende regering en de monarchie.

Het begin van de burgercultuur

De poging tot een socialistische revolutie van Troelstra blijkt niet zo uit pakken als in Duitsland en wordt overtroffen door deze succesvolle tegenbeweging met een monarchistische demonstratie op het Malieveld in Den Haag. De volgende dag houdt Troelstra een vurig betoog in de Kamer.

Wanneer wij leefden jaren terug, vóór den oorlog, en de Minister sprak dan van de vele en groote rechten, die het Nederlandsche volk zoo lang heeft gehad: ja, toen hadden wij het eerste burgerrecht, het algemeen kiesrecht niet eens, en de partij van dezen Minister, de rechterzijde, is het geweest, die zich het langst tegen de invoering van het algemeen kiesrecht heeft verzet, en wanneer nu nog de helft van het Nederlandsche volk, de vrouwen, van het kiesrecht is uitgesloten, dan is het al weer de rechterzijde, die zich tegen de invoering van het vrouwenkiesrecht verzet en het is deze Regering, die spreekt van de vele en groote rechten van het Nederlandsche volk, die van het vrouwenkiesrecht niets wil weten.

De Nederlandse regering heeft uiteindelijk met een aantal concessies revolutionaire krachten de wind uit de zeilen weten te nemen en een revolutie in Nederland te voorkomen. De revolutie blijft in Nederland weliswaar uit, maar heeft wel degelijk een beweging in gang gezet die later in de tijd een gevolg krijgt. Een culturele omslag op zowel bestuurlijk als sociaaleconomisch vlak, geeft het begin van de burgercultuur aan. In 1919 kunnen nu ook vrouwen actief hun stem uitbrengen. Het uitbrengen van een stem is voortaan niet slechts voorbehouden aan een klein aristocratisch deel van de bevolking.

1918 - Eerste vrouw in de Kamer

In 1918 wordt Suze Groeneweg (SDAP) als eerste vrouw lid van de Tweede Kamer. Na een carrière als docente en verschillende actieve rollen in besturen wordt zij in 1903 lid van het SDAP. In de daaropvolgende jaren laat zij zich zien als een geliefd spreekster, waardoor ze landelijke bekendheid krijgt. In 1914 wordt zij, na een moeizame verkiezing, verkozen tot lid van het partijbestuur van SDAP. Hierna wordt zij in 1918 verkozen tot Kamerlid voor de Tweede Kamer. In haar maiden speech gaat ze hier ook kort op in: “Nu zich het historische feit voltrekt, dat voor de eerste maal een vrouw het woord zal voeren in 's lands vergaderzaal, gevoel ik wel zeer sterk de verantwoordelijkheid, die mij opgelegd werd, toen mij de hooge eer te beurt viel als draagster van deze geschiedkundige gebeurtenis hier binnen te treden.” Suze Groeneweg is tot 1937 lid van de Tweede Kamer gebleven en is overleden in 1940.

Binnenhof

1940/45 - Bezettingstijd

Tijdens de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945) worden geen vergadingen gehouden door de Eerste en Tweede Kamer. Er bestaan dan ook geen Handelingen uit deze periode. De laatste bijeenkomst van de Tweede Kamer was op 10 mei 1940, de dag waarop de Duitse krijgsmacht Nederland binnenviel. De voorzitter van de Tweede Kamer, J. van Schaik, sprak een rede uit waarin hij protesteerde tegen de Duitse inval. Daarna werd de bijeenkomst gesloten en ging de Kamer uiteen. De laatste vergadering van de Tweede Kamer die in de Handelingen is opgenomen is van 9 mei 1940. De Eerste Kamer vergaderde voor het laatst op 29 april 1940.

Kamerleden zonder bevoegdheden

Tijdens de bezetting was door de Duitse autoriteiten bepaald dat de werkzaamheden van de beide Kamers tot nader order moesten blijven rusten. De bezetter ontnam de leden de bevoegdheden en aanspraken die hoorden bij hun Kamerlidmaatschap. Griffiers, ambtenaren en bedienden van de Kamers bleven in functie, voor zover zij niet tijdelijk tewerkgesteld werden bij andere diensten. Na de bevrijding keerden de ambtenaren en bedienden terug uit hun tijdelijke werkkring.

Tijdelijke Staten-Generaal

Het vooroorlogse Parlement kon na de bevrijding niet zonder bezwaar in de oude samenstelling terugkeren. In het najaar van 1945 kwam de Tijdelijke Staten-Generaal bijeen, bestaande uit de overgebleven parlementsleden van 1940. Wel was deze gezuiverd van NSB-ers en enkele andere “onvaderlandse” elementen. Op 25 september vond de eerste vergadering van de Tweede Kamer plaats en op 18 oktober kwam de Eerste Kamer weer voor het eerst bijeen. Op 20 november opende Koningin Wilhelmina de eerste zitting van de Voorlopige Staten-Generaal. Deze bestond uit de Tijdelijke Staten-Generaal aangevuld met door de Kroon (Koningin en Ministers) benoemde leden. De regering, onder leiding van Schermerhorn en Drees, trok zich in deze periode niet zoveel aan van de Voorlopige Staten-Generaal en vaardigde in hoog tempo wetten uit. In mei 1946 werden de eerste naoorlogse verkiezingen gehouden. Pas daarna kon het nieuw gekozen Parlement haar democratische taken weer volledig uitoefenen.

Handelingen

literatuur

Horst, H. van der: Een bijzonder land. Het grote verhaal van de vaderlandse geschiedenis. Tweede herziene druk. Amsterdam, 2009.

Links

koninklijkhuis.nl

tweedekamer.nl