Historische achtergronden

Inhoudsopgave

Van Republiek naar Koninkrijk

De geschiedenis van de huidige Nederlandse staatsinrichting begint in 1794. In dat jaar verdrijff het revolutionaire Frankrijk de regerende stadhouder Willem V. Hiermee komt een einde aan de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën. In 1795 wordt Nederland onder de naam “Bataafse Republiek” hervormd naar Frans model.

Hervormingen

Dit hervormen blijkt niet gemakkelijk. In 1796 wordt een Nationale Vergadering opgericht, maar deze wordt twee jaar later weer afgezet als gevolg van een staatsgreep. Nederlandse revolutionairen proberen hierop de Bataafse Republiek radicaal te democratiseren. Dit doen zij door een tweekamerstelsel in te voeren: één Kamer zal bevoegd zijn de wetten op stellen, de andere Kamer zal de macht krijgen om de wetten te bekrachtigen. In 1801 wordt deze democratisering met behulp van de Fransen weer ongedaan gemaakt. Onder Frans bewind volgen meerdere varianten van ondemocratisch bestuur elkaar op totdat vanaf 1813 de macht van de Franse Keizer Napoleon Bonaparte begint af te brokkelen. Met steun van de grootmachten Groot-Brittannië en Pruisen keert Willem VI, zoon van Willem V, in 1814 terug naar Nederland. Hier wordt hij tot koning Willem I uitgeroepen. Om eventuele revolutionaire krachten in bedwang te kunnen houden krijgt de nieuwe koning zo goed als absolute macht.

Koning Willem I

Koning Willem I

Daling en groei van leden

De Grondwet van de Vereenigde Nederlanden van 1814 kent een eenkamerstelsel. Na de aansluiting van de Zuidelijke Nederlanden (het latere België) in 1815 wordt op aandringen van de Zuidelijke adel een tweekamerstelsel ingesteld. Van 2 mei 1814 tot 8 augustus 1815 hadden 55 leden zitting in de Staten-Generaal. Daarna is de Staten-Generaal tien dagen in “dubbele getale” bijeengekomen, ter voorbereiding en behandeling van de grondwetsherziening over het samengaan met de Zuidelijke Nederlanden. Na de samenvoeging is het ledental van de Tweede Kamer permanent verdubbeld tot 110. Het aantal leden van de Eerste Kamer varieerde van veertig tot zestig afhankelijk van de behoefte van de Koning. Na de onafhankelijkheid van België in 1830 werd het aantal leden van beide Kamers weer gehalveerd. In de decennia daarna groeide het aantal zetels weer. In 1840 kwamen er 3 extra zetels voor de afgevaardigden uit Limburg en in 1849 werd het aantal zetels in de Tweede Kamer vastgesteld op 68. Dit getal was gekoppeld aan het aantal inwoners in Nederland en groeide tot de volgende Grondwetsherziening tot 86.

Naar de Grondwet van 1848

Tot 1848 bestaat de Eerste Kamer voornamelijk uit aristocraten die door de koning voor het leven worden benoemd. Zij moeten tegenwicht bieden aan de zogenaamde ‘driften’ van de Tweede Kamer. Niet alle leden van de Eerste Kamer lijken in die tijd hun taak serieus te nemen, aangezien een aantal nooit komt opdagen. Dat leidt ertoe dat er stemmen opgaan om de Eerste Kamer af te schaffen. Om verschillende redenen zal dit thema later regelmatig terugkeren op de agenda van de Nederlandse politiek.

Democratische hervormingen

Na de democratische hervormingen in 1848, die onder meer leidden tot directe verkiezing van de Tweede Kamer, het recht van amendement en de vrijheid van vergadering, bleef de Eerste Kamer gehandhaafd. Wel zou zij voortaan gekozen worden. Niet rechtstreeks, zoals de Grondwetscommissie had gewild, maar indirect, door de leden van Provinciale Staten, uit de hoogstaangeslagenen in de directe belastingen. Het aantal leden werd bepaald op 39, een bepaald aantal uit elk gewest.

Vaststelling ledental

Veertig jaar later, bij de volgende Grondwetsherziening (1887) werd het ledental van de Eerste Kamer vastgesteld op 50 en dat van de Tweede Kamer op 100. De laatste wijziging in het aantal kamerleden was in 1956: toen werd besloten het ledental van de Eerste Kamer uit te breiden tot 75, en dat van de Tweede Kamer tot 150. Er moet een bepaald aantal leden in de Kamer aanwezig zijn (het quorum) voordat met een vergadering gestart kan worden. Is dit niet het geval, dan is er sprake van een bijeenkomst. In het verleden werden er regelmatig vergaderingen in comité-generaal gehouden. Dat wil zeggen dat er vergaderd werd achter gesloten deuren.

De grondwet van Thorbecke

De Tweede Kamer wordt gekozen door de Staten van de Noordelijke en Zuidelijke provincies. Zij behandelt wetsontwerpen van de regering en vertegenwoordigde de bevolking. De macht van de Tweede Kamer is in deze periode beperkt. Zij heeft vooral een adviserende rol en kan geen beslissingen afdwingen. De grondwet van 1848, opgesteld door de liberaal Thorbecke, vergroot de invloed van de volksvertegenwoordiging op de regering. Kamerleden worden vanaf dat moment rechtstreeks verkiesbaar dankzij het censuskiesrecht. Hierbij wordt stemrecht verleend aan het deel van de bevolking dat een bepaald bedrag aan belastingen betaalt. De macht van de koning wordt hiermee ingeperkt. Voor het eerst is echt sprake van een constitutionele monarchie. Naast grotere invloed krijgt de Tweede Kamer ook nieuwe rechten. Zo krijgt de Kamer de bevoegdheid het vertrouwen in ministers op te zeggen en krijgt zij het recht van amendement, d.w.z. het recht wijzigingen in wetsvoorstellen aan te brengen. Met behulp van deze bevoegdheden laat de Tweede Kamer in 1860 voor het eerst een kabinet vallen. In 1876 valt een tweede kabinet.

J.R. Thorbecke (1798-1872)

J.R. Thorbecke (1798-1872)

Openbaar maken van de vergaderingen en Handelingen

De vergaderingen van de Tweede Kamer zijn vanaf 1814 openbaar. In 1848 worden ook de vergaderingen van de Eerste Kamer toegankelijk voor publiek. Een jaar later wordt de Stenografische Dienst opgericht om het gesproken woord tijdens de vergaderingen schriftelijk vast te leggen in de Handelingen.


Totstandkoming van de Handelingen der Staten-Generaal

Openbaarheid en kort verslag

In de grondwet van 1815 wordt opgenomen dat de zittingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal in het openbaar worden gehouden. De Regering besluit een redacteur van de Staatscourant de taak te geven om een “kort bericht” te schrijven over de Handelingen van de Tweede Kamer. Dit “kort bericht” wordt in de Staatscourant gepubliceerd. De verslaggevers van de Staatscourant dienen zich te houden aan de voorschriften van de Regering: vóór publicatie moet dit verslag door de minister van Binnenlandse Zaken worden goedgekeurd. Deze eis veroorzaakt een vertraging in het naar buiten brengen van de verslagen, terwijl de berichtgeving over de Handelingen in omvang steeds meer toeneemt.

Volledig verslag

Verslag der Handelingen van de Tweede Kamer

Verslag der Handelingen van de Tweede Kamer

In juli 1847 draagt de conservatieve minister van Binnenlandse Zaken, L.N. van Randwijck, de verslaggevers op om een volledig verslag van de zittingen te maken, te beginnen met de zitting van 1847-1848. Om het publiek meer inzicht te geven in het reilen en zeilen van het parlement worden voortaan de vergaderstukken van de gehele Staten-Generaal (Eerste en Tweede Kamer) gepubliceerd. Deze verslagen van de Handelingen en ook de gewisselde stukken tussen de Regering en Staten-Generaal worden vanaf 17 oktober 1847 opgenomen in een “Bijblad tot de Staatscourant”.

Ondertussen wordt de invloed van het Nederlandse Parlement steeds groter. Bij de grondwetsherziening van 1848 wordt de ministeriële verantwoordelijkheid ingevoerd. Dit betekent dat het parlement voortaan het laatste woord heeft in alle belangrijke staatsaangelegenheden. Hierdoor groeit de behoefte aan nauwkeurigheid, snelle publicatie en verspreiding van de parlementaire Handelingen. Door de eerder ingevoerde volledige verslagen begint de publicatie steeds grotere vertraging op te lopen. In 1849 dringt het liberale Kamerlid A.J. Duymaer van Twist aan op spoed en volledigheid bij het uitbrengen van het verslag der Handelingen. De Commissie die is belast met het ontwerp van het Reglement van Orde brengt in datzelfde jaar een rapport uit over “snelschrijverij”.

De Stenografische Inrichting in 1949

De Stenografische Inrichting in 1949

Stenografische Inrichting

De minister van Binnenlandse Zaken, J.M. de Kempenaer (conservatief-liberaal) komt met een wetsontwerp over de instelling van een “Stenografische Inrichting”. Het voorstel wordt op 24 september 1849 bekrachtigd (Staatsblad 47). De stenografie wordt in 1849 bij de Staten-Generaal ingevoerd onder leiding van H.L. Tétar van Elven. Bij de begrotingsbehandeling in 1850 wordt de zorg voor de openbaarmaking van de Handelingen door de Regering officieel aan de Staten-Generaal overgedragen. In 1854 komt de Stenografische Inrichting tot stand, die later de Stenografische Dienst zal heten en sinds 2004 de Dienst Verslag en Redactie.

In de zitting 1849-1850 komt het ‘Reglement van de openbaarmaking van het verhandelde in beide Kamers der Staten-Generaal, door middel van de stenografie’ tot stand. Dit reglement bepaalt onder andere de termijn waarin leden en bewindslieden hun redevoeringen kunnen nakijken. Redevoeringen waarvan de reactie niet op tijd is ontvangen, verschijnen volgens het originele opgestelde stenogram in het verslag. Het is voor de Stenografische Inrichting niet gemakkelijk om kamerleden en ministers zover te krijgen dat ze zich aan deze voorschriften houden; regelmatig zijn er problemen. Zo geeft bijvoorbeeld Thorbecke zijn redevoeringen vaak te laat en soms helemaal niet terug. Op de plaats waar de tekst van de rede had moeten staan stond dan het bericht: “Deze rede zal later worden medegedeeld”.

Gereconstrueerde Handelingen

In 1857 wordt besloten om met terugwerkende kracht de (gereconstrueerde) Handelingen van 1814 tot 1847-1848 uit te geven. Deze worden samengesteld uit notulen, verslagen van de Staatscourant, oude kranten en nagelaten dossiers van ministers en Kamerleden.

Literatuur

  • Bonenkamp, B.J. (1999) Zwijgend medewerker en aandachtig luisteraar. 150 jaar Stenografische Dienst der Staten-Generaal ('s-Gravenhage: Sdu Uitgevers)
  • Cramer, N. (1975) Wandelingen door de Handelingen ('s-Gravenhage: Staatsuitgeverij)
  • Raalte, E. van (1977) Het Nederlandse Parlement ('s-Gravenhage: Staatsuitgeverij)